Nog geen oplossing voor uitstempelen

727
Tweede Kamerlid Rob Jetten haalde in zijn Kamervragen aan de beide bewindslieden ook de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van mei vorig jaar aan. (Foto Erik van Huizen)

DEN HAAG Er is nog steeds geen oplossing voor de problemen met het uitstempelen van zeevarenden in de haven van Rotterdam. Staatssecretaris Mark Harbers van Justitie en Veiligheid en minister Cora van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat ontkennen dat er iets is veranderd met het uitstempelen. Tweede Kamerlid Rob Jetten (D66) stelde Kamervragen over het uitstempelen.

Koepelorganisatie Nederland Maritiem Land (NML) en de Branche Organisatie Zeehavens (BOZ) maken zich al lange tijd druk over de in hen ogen onaangekondigde administratieve koerswijziging van de Rotterdamse Zeehavenpolitie. Medio januari 2016 stopte deze met het zogenoemde ‘uitstempelen’ van zeevarenden, waarvan het schip niet binnen afzienbare termijn uit Nederland vertrekt. Buitenlandse zeevarenden die na binnenkomst in Nederland via Schiphol naar hun schip gingen, kregen eerder bij het aanmonsteren allemaal een uitreisstempel in hun paspoort. Ze hadden Schengen dan verlaten. Dat gebeurde volgens de organisaties in lijn met het Schengengrensverdrag al decennia. Nu moeten de internationale zeevarenden een verblijfsvergunning hebben als het schip meer dan 90 in 180 dagen in Nederland ligt.

Geen wijziging
Volgens de politici is er echter helemaal geen sprake van een koerswijziging. Zij wijzen erop dat het stempelen van reisdocumenten van derdelanders die het Schengengebied in- en uitreizen een Europese verplichting is waaraan alle lidstaten zich moeten houden. Het gaat dus niet om nationale wet- en regelgeving. ‘De stempelplicht is sinds 2006 van toepassing en deze verplichting is niet gewijzigd.’

Staatssecretaris Mark Harbers van Justitie en Veiligheid. (Foto ministerie Justitie en Veiligheid)

Wat betreft Halbers en Van Nieuwenhuizen is er dan ook geen sprake geweest van een ‘vaste’ praktijk van stempelen die is gericht op het aanbrengen van uitreisstempels in reisdocumenten van derdelanders, waarvan duidelijk is dat zij niet op (korte) termijn het Schengengebied verlaten met het zeeschip waarop zij in de haven werkzaam zijn.
‘Op het moment dat het voor de Zeehavenpolitie duidelijk was dat van uitreis op korte termijn, via de haven geen sprake zou zijn, zijn er op dat moment geen uitreisstempels geplaatst in de reisdocumenten van betrokken zeevarenden uit derde landen. Dat heeft geleid tot onrust in de sector omdat men de indruk kreeg dat er sprake was van een wijziging van de uitvoering.’

Uit navraag bij andere lidstaten waaronder andere België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Noorwegen en Spanje, zou volgens Harbers en Van Nieuwenhuizen ook blijken dat ook deze landen slechts een uitreisstempel aanbrengen indien daadwerkelijk sprake is van vertrek op korte termijn.

Uitspraak
Tweede Kamerlid Jetten haalde in zijn Kamervragen aan de beide bewindslieden ook de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van mei vorig jaar aan. Deze oordeelde dat het uitstempelen van zeevarenden direct bij het aanmonsteren aan boord van het schip in lijn is met het Schengenverdrag, ongeacht de vertrektijd, omdat bij de aanmonstering van zeevarenden op een afgemeerd zeeschip reeds sprake is van het overschrijden van een buitengrens en uitreis in de zin van de Schengengrenscode. Ook ging de rechtbank er in haar uitspraak vanuit dat het hier om zeevarenden gaat. Maar volgens Halbers maakt de Schengengrenscode wanneer het gaat om het plaatsen van een in- en uitreisstempel in een reisdocument van een derdelander bij het overschrijden van de buitengrens, geen onderscheid tussen zeevarenden en andere burgers. Hij vindt de uitspraak geen recht doen aan de bepalingen van de Schengengrenscode. ‘Ik heb daarom tegen de uitspraak hoger beroep ingediend.’

In gesprek
Vanwege de zorgen en de belangen van de Rotterdamse haven en de maritieme sector is de overheid met de sector al enige tijd in gesprek met als doel het maken van sluitende en definitieve werkafspraken met de sector. ‘Ik acht het van belang dat samen met de sector tot een zorgvuldige en efficiënte wijze van uitvoering van de controles wordt gekomen, die werkbaar is voor alle partijen, binnen het bestaande juridische kader.’