Havenbedrijf Rotterdam begint proef met gemengd afmeren

212
Ligplaatsen kegelschepen in Calandkanaal. (Foto Havenbedrijf Rotterdam/Dick Sellenraad)

ROTTERDAM Havenbedrijf Rotterdam begint op 5 april een proef met het gemengd afmeren van binnenvaartschepen met gevaarlijke lading. De zogenoemde 1-kegel- en 2 kegelschepen kunnen dan zonder afstand naast elkaar en naast schepen zonder gevaarlijke lading afmeren. Uit onderzoek blijkt dat dit kan. Het loopt daarmee vooruit op de nieuwe landelijke beleidsregel over gemengd afmeren van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de toekomstige aanpassing van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR).

Sinds de regels over minimale afmeerafstanden in het BPR zijn vastgelegd, is er veel veranderd in de binnenvaartsector als het gaat om veiligheid in scheepsconstructies voor het op- en overslaan van gevaarlijke stoffen. In 2020 heeft Havenbedrijf Rotterdam door een extern bureau laten onderzoeken of de afmeerafstanden nog actueel zijn. Uit die risico-analyse is geconcludeerd dat de afmeerafstanden met betrekking tot schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren uit artikel 7.07 lid 1 BPR achterhaald zijn. Daarom is de havenmeester van Rotterdam, samen met Rijkswaterstaat en alle betrokken partijen gestart met een proces dat moet leiden tot afmeerafstanden die passen bij het huidige veiligheidsniveau in de binnenvaart. Het Ministerie van I&W heeft aangegeven dat vóór het einde van 2021 een beleidsregel van kracht zal worden totdat aanpassing van de regelgeving is gerealiseerd. Vooruitlopend daarop gaat Havenbedrijf Rotterdam bij wijze van proef alvast ervaring opdoen met gemengd afmeren in de Rotterdamse haven.

De proef
De locaties voor de proef liggen in het Hartelkanaal ter hoogte van oeverfrontnummers 6079 en 6081; de Antarcticakade (oeverfrontnummers 8244 en 8249), in de 2e petroleumhaven (oeverfrontnummer 3008); en in het Calandkanaal (oeverfrontnummers 5389, 5387, 5386 en 5384).

Niet alle schepen mogen op die locaties afmeren. De schepen die zijn uitgesloten van deelname aan de pilot, zijn:

  • binnenschepen die gevaarlijke goederen vervoeren waarvoor drie bijkomende tekens zoals bedoeld in artikel 3.14 lid 3 BPR gevoerd dienen te worden;
  • binnenschepen die lading in droge bulk vervoeren waarbij de aanvullende eis VE03 uit randnummer 7.1.6.12 van het ADN van kracht is;
  • binnenschepen geladen met bulklading in vaste vorm waarvan de lading met ontsmettingsmiddelen is behandeld en die nog onvoldoende vrij is van ontsmettingsmiddelen;
  • een duwbak of duwbakken die niet aan een duwboot is of zijn gekoppeld;
  • passagiersschepen;
  • pleziervaartuigen;
  • enkelwandige binnentankschepen die gevaarlijke stoffen vervoeren, uitgezonderd bilgeboten;
  • binnenschepen, niet zijnde bunkerschepen die lading vervoeren met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger, waarbij de aan boord zijnde gevaarlijke lading niet is aangemeld in het IVS next1, of;
  • zeeschepen waarvoor geen binnenvaart certificaten zijn afgegeven.