ESO vindt heffing bedrijfsafvalstoffen ‘veel te voorbarig’

595

De Europese Schippersorganisatie (ESO) heeft haar verbazing uitgesproken over het initiatief van de Nederlandse overheid en Rijkswaterstaat om voor de vrachtvaart een heffingsysteem in te voeren voor de afvalstoffen die vallen onder deel C van het Scheepsafvalstoffenverdrag.

eso1Met klem wijst de ESO er op dat het CDNI-verdrag stipuleert dat de verdragsluitende staten gehouden zijn voor de inname en verwijdering van scheepsafval een uniforme financieringswijze in te voeren. In de overwegingen daarvoor wordt het voorkomen van concurrentievervalsing als een reden genoemd. ESO voegt daar afvaltoerisme aan toe en ander ongewenst gedrag; effecten die zeer nadelig zijn voor het milieu. Het initiatief van de Nederlands overheid (Rijkswaterstaat) zal hiertoe leiden.

Blijkbaar slagen de landen er niet in om voor deel C een uniform systeem van heffingen af te spreken. De landen slagen er ook niet in om met betrekking tot de besteding van de heffing conform deel A – de olie- en vethoudende afvalstoffen – een heldere verantwoording af te leggen. Tevens is er nog altijd geen systeem uitgewerkt dat het voorkomen van afval moet stimuleren.

Ladingresten
En dan is er nog deel B, de ladingresten. De controle en handhaving op de verplichtingen van verladers is ver onder de maat. Nog dagelijks krijgen de nationale organisaties klachten over het niet of niet voldoende verstrekken van losverklaringen. Daarnaast is de zogenaamde stoffenlijst dringend aan revisie toe; veelal is de benaming binnenvaartvreemd, ladingen komen niet voor op de lijst of kunnen naar de huidige inzichten ingedeeld worden volgens een lichtere losstandaard. Ook op dit punt constateert ESO onvoldoende vooruitgang.

De afvalstoffen genoemd in deel A en C worden in het verdrag “bedrijfsafvalstoffen” genoemd. Voor een dienstverlener als de binnenvaartondernemer is, zou het dan ook alleszins redelijk zijn als de kosten, gemoeid met de inzameling en verwijdering van dit afval, doorberekend kunnen worden aan de opdrachtgever. Het zal niemand echter verbazen dat dit in de huidige markt niet eenvoudig en vaak zelfs onmogelijk is. Sterker nog, voor de sector is het onbegrijpelijk dat de Nederlandse Mededingsautoreit (NMa) de brancheorganisaties verbiedt om gasolieprijzen te publiceren met vermelding van de heffing uit deel A.

Weinig voortvarend
ESO moet helaas concluderen dat de verdragsluitende staten te weinig voortvarendheid etaleren bij de uitvoering van het CDNI-verdrag. Hierdoor staat de geloofwaardigheid op het spel en tast het ook het draagvlak in onze sector aan. Binnenvaartondernemers zijn zeker bereid om volgens het principe “de veroorzaker betaalt” een bijdrage te leveren aan de inzameling en verwijdering van het afval. Maar dan moet dit wel op een uniforme, transparante, kostendekkende en sluitende wijze, zoals het verdrag dit ook voorschrijft. Als de binnenvaart geacht wordt te handelen naar de letter en geest van het CDNI-verdrag mag dat zeker verwacht worden van de overheden.
ESO verzoekt daarom de overheden, en met name de Nederlandse, met klem de nationale invoering van een betaalsysteem voor deel C afvalstoffen op te schorten tot er een uniform systeem binnen het CDNI is afgesproken. Aan alle verdragsluitende landen wordt een dringend beroep gedaan de gememoreerde onvolkomenheden in deel A en B op te lossen.

Lees ook:
Reactie binnenvaart op betaling voor scheepsbedrijfsafval
ASV: ‘Teken petitie schending Scheepsafvalstoffenverdrag (SAV)’
Huisvuilcontainers terug op Volkeraksluizen
‘Kosten inzamelen huisvuil binnenvaart onacceptabel’